Until you make the unconscious conscious

it will direct your life

and you will call it

"fate"


Carl Jung

Impact op je geprogrammeerde denkstijlen

Hoe je als persoon waarneemt, denkt en je gedraagt is verschillend voor iedereen en wordt bepaald door je eigen cognitieve denkstijl. In de NLP noemen we dit metaprogramma's


Je voorkeuren van je denkstijl kunnen verschillen naar gelang de specifieke situatie waarin je je bevindt (context afhankelijk). Je kan "leren" uit je ervaringen waarin je een andere denkstijl hanteert én je kan je denkstijl bijschaven. Je leert als het ware dat je een andere "bril" kan opzetten.

 

We concentreren ons op 5 specifieke metaprogramma's die belemmerend dan wel ondersteunend werken wanneer we geconfronteerd worden met een een terminale ziekte. Metaprogramma's die inwerken op de kankercocktail.

 

We begeleiden je om je denkstijl te doen evolueren zodat je meer comfort kan vinden. We werken ondermeer met inzicht in je programma's, metaforen, tijdslijnen, en positieve affirmaties.

 5 Metaprogramma's:

 1. In-time en through time: hoe sta je in het tijdskader

In-time: nu is wat er telt. Er is een ervaring van “in de tijd” te leven, in het hier en het nu zijn.

Through time: nu is belangrijk, maar ook het verleden en de toekomst, de ‘tijd” staat buiten zichzelf.


Kanker hakt in op je tijdsperspectief. Lange termijn denken is niet meer zo vanzelfsprekend. Leren om meer in het hier en nu te staan leert je anders te kijken zodat je weer kan genieten van wat er wel is.


verleden -> heden

ontkenning -> aanvaarding

Verzet -> geduld

 2. Aandacht op jezelf of op anderen: naar wie richt je voornamelijk je aandacht

Aandacht naar jezelf: houden de aandacht (ook) op zichzelf.

Aandacht naar anderen: hebben vooral aandacht voor mensen buiten zichzelf.


Zorg eerst voor jezelf en dan voor anderen. Dan kunnen anderen ook beter voor jou zorgen en jij op jouw beurt voor anderen

 

Strengheid -> mildheid

Alleen -> samen

 3. Voldoet wel of voldoet niet: gaat je aandacht naar wat klopt of wat niet klopt

Voldoet wel: hebben vooral aandacht voor wat volgens hun criteria goed gaat.

Voldoet niet: hebben vooral aandacht voor wat niet aan hun criteria voldoet.


Je wordt overmand door alles wat niet meer is, niet meer kan en misschien nooit meer zal zijn. We leren je te kijken naar wat er wel is.


Stress -> rust

Angst -> vertrouwen

 4. Intern of extern gerefereerd: welke criteria hanteer je om te beslissen wat je doet

Interne referentie: evalueren en beslissen vanuit eigen criteria, verzamelen van info en feedback maar zelf bepalen wat je er uit concludeert.

Externe referentie: evalueren en beslissen vanuit criteria die anderen belangrijk vinden.


In de rollercoaster is het moeilijk keuzes te maken, vooral als je je enkel richt op wat de anderen zeggen. Je leert voor jezelf op te komen, durven kiezen.


Onmacht -> keuze

 5. Optie-of proceduregericht: hoe bereik je je doelen?

Opties: makkelijk verschillende mogelijkheden zien en er dan een uitkiezen.

Procedure: graag vooraf bepaalde stappen volgen.


Je ziet het bos door de bomen niet, alles lijkt een donker gat. Je leert opnieuw opties te ontdekken, ook al is het kader beperkt.


Onmacht -> keuze